![]() Opgedragen aan een vriend door Rauf Mamedov (Vertaling: Magchiel Matthijsen) Het volgende is mij overkomen. Lang geleden werkte ik op de eerste afdeling van een psychiatrische inrichting. De eerste afdeling dat wil zeggen dat zich daar de meest hopeloze, de meest agressieve gevallen bevonden; de patiënten waar niemand meer naar omkeek. Je zou kunnen zeggen dat hij als een geluidloze schaduw verscheen. Hij ging naast me zitten, en pas toen besefte ik dat hij uit die achteraf gelegen zaal kwam waar niemand van het behandelende personeel al in geen tijden meer was binnen geweest. Hoeveel patiënten er precies verbleven, wat voor leven ze daar leidden en waarmee ze zich voedden is niet zo gemakkelijk te zeggen. Iedereen was ook al aan de ratten gewend die, als konijnen zo groot, zo nu en dan die verafgelegen zaal uitrenden. Zo kwam hij dus naast me zitten op het smalle houten bankje dat aan de muur bevestigd was en zei: "Het is onterecht dat jij dat kuikentje een hand geeft. Hij is een pederast en hij schrijft gedichten." Ik begreep niet direct waar hij het over had, hij verslikte zich in zijn woorden; zijn bleke gezicht vertoonde een krampachtige trek. Meteen nadat hij was uitgesproken glimlachte hij breeduit, waarbij hij de weinige tanden die hij nog had liet zien; ze waren prachtig wit en sterk. Hoe oud hij was? Dertig jaar? veertig misschien? niemand die het wist. "Ik zit al lang achter je aan" zei hij en pakte me stevig bij m'n elleboog. "We moeten hier weg. Jij en ik." "Ja, inderdaad, dat moeten we" antwoordde ik terwijl de sleutelbos met zware sleutels uit de zak van mijn met vlekken besmeurde verpleegjas stak. "Goed maar is het dan niet verstandig om ons eerst om te kleden? Kom hier zitten. Ik kies wel iets voor je uit." Hij had een versleten broek van de inrichting aan, god weet hoe die aan zijn lijf bleef hangen. "Dat hoeft niet" protesteerde hij "dan ziet iedereen toch dat we er vandoor willen". "Maar vandaag kunnen we hem toch niet smeren. Buiten is het donker, er is sneeuw gevallen en ze hebben ons met al die sporen zo te pakken." Dat wat het eerste wat me inviel en het leek of mijn argumenten hem overtuigden. Hij was natuurlijk ongelukkig en begon over iets na te denken en daarna verdween hij net zo geruisloos als hij was gekomen. Ik dacht al niet meer aan hem toen er een collega voorbij rende die op het lawaai in een van de zalen afging en in het voorbijgaan luid "laaakens!" schreeuwde. Bij ons was het zo dat er niet genoeg dwangbuizen voor iedereen waren en dat wij met een paar eenvoudige lakens iedereen die daarvoor volgens ons in aanmerking kwam, aan zijn ijzeren bed moesten vastbinden. Er ging een dag voorbij. Weer had ik nachtdienst in die afdeling, en direct stond hij weer voor me. "D'r is nu geen sneeuw gevallen. Ik ben klaar. We kunnen er vandoor." "De sneeuw is verdwenen, er is geen sneeuw meer; het licht is door het duister overmand. Natuurlijk, je hebt gelijk, of door het wit? Maar de hoofddokter is vandaag jarig" kreeg ik er eindelijk uit. "We kunnen er niet vandoor, vanavond is er een feestmaal. De burgemeester komt op bezoek. Wanneer ben jij trouwens jarig?" Hij liet meteen zijn hoofd hangen en knikte slapjes. Mijn idiote vraag had hem natuurlijk niet in verwarring gebracht. Het volgende ogenblik lachte hij weer zijn brede en goedaardige glimlach. "Nu goed dan" zei hij berustend "dan wacht ik een volgende nacht af." Ik begreep dat ik betrokken werd in een of ander spel, en op weg naar de volgende nachtdienst concipieerde ik de 'Theorie van de twaalf coïncidenties', waaruit je kon afleiden dat onze vlucht alleen mogelijk was bij het toevallig samenvallen van alle twaalf in deze 'Theorie' genoemde voorwaarden. In concreto ging het om de volgende voorwaarden: - een verpleger met één been die om twee uur 's nachts met z'n dronken kop de halve afdeling met een zware laars van z'n prothese begint te bewerken; - een arts die nachtdienst heeft en geen eigen huis bezit en die na zijn nachtelijke ronde door de hele inrichting naar de vrouwen-afdeling vertrekt om daar, na aan zijn gerief te zijn gekomen, te gaan slapen; - een halve idioot en verklikker in onze afdeling die onze schizofrenen sexueel zullen gebruiken; - de afwezigheid van alle communistische en andere feesten, wat voor het personeel van de inrichting alleen maar extra regime met zich mee brengt; - de reusachtige hond van de hoofdarts, die hij 's nachts losmaakt en die dan doelloos over het hele terrein van de inrichting heen en weer rent. Tot de oude keukenhulp een emmer met etensresten voor hem neerzet; Ik herinner me dat daar ook romantische stupiditeiten waren van het soort van: - nachtelijke regen waarin de dingen vanzelf oplossen; - een nacht bij nieuwe maan met verder een gunstige stand van de sterren, bijv. de Waterman die de planeet Mars in zijn buik heeft; dat is wanneer de betere helft van de afdeling voor een of andere overtreding met een geparalyseerde wil, slaapwandelend in de hoeken van de zaal neervalt. 20 ml van een ondoorzichtige olie onder de schouderbladen, sulfasin geheten, bewerkte wonderen; De 'Theorie van de twaalf coïncidenties' garandeerde op deze wijze een eindeloos en onveranderlijk voortbestaan van onze situatie. Wij sloten vriendschap. Ik gaf enkele handgeschreven verzoekschriften van mijn vriend door buiten de inrichting, aan niemand, en zelf schreef ik hem versleutelde antwoorden. En iedere keer wanneer hij me vragend vroeg "wanneer zullen we?", dan wees ik hem op een van de twaalf voorwaarden die inmiddels deel van onze gezamenlijke 'Theorie' waren geworden. Zo ging het de hele zomer door. De herfst trad in. Maar het spreken over de tijden van het jaar binnen de muren van een inrichting is natuurlijk volkomen absurd. Het begrip van de tijd zoals wij dat kennen is daar volkomen afwezig. En op een dag toen ik, nog nat van buiten, tijdens het lopen mijn verpleegjas aantrok, kwam mijn vriend onze afdeling binnen. Het was duidelijk dat hij geëmotioneerd was; hij trok mij meteen naar de kant. Ik voelde dat er iets onprettigs aan de hand was. "Genoeg. Vandaag. Aan de twaalf voorwaarden is voldaan. Ik ben klaar en wij " hij pakte me krachtig bij de mouw van mijn jas. "Wacht eens, zeker " maar hij kon niet meer ophouden, hij praatte maar door en het was duidelijk dat de 'Theorie van de twaalf coïncidenties' aan diggelen lag. Eindelijk hield hij op. Hij liet mijn mouw los. Hij wachtte. Hij keek mij aandachtig in de ogen en het leek zelfs of hij me een knipoog gaf. Hij wachtte. Geduldig stond hij voor me heen en weer te zwaaien; zonder schoenen bewoog hij van het ene been op het andere; hij wachtte. Zijn hulpeloze houding had iets van een kinderlijk verdriet. Maar wat moest ik doen? Wat? Hij wachtte, maar uit een gat in de zak van mijn verpleegjas stak een van de sleutels. Natuurlijk heb ik hem nergens naar toe laten gaan. Maar de volgende morgen, nadat ik op de te laat op zijn werk verschijnende hoofddokter had staan wachten, diende ik mijn ontslag in. Sinds die tijd zijn er jaren voorbij gegaan. Ik weet niet of mijn vriend nog in leven is, maar dat is ook niet belangrijk. Vandaag geef ik hem eindelijk de vrijheid. Een vrijheid om NERGENS naar toe te trekken, naar een LEEGTE waar ik jaren geleden zo bang voor was. Moskou, 26 januari 1998 Terug All rights reserved © 1999-2011 |